People - Planet - Profit
Duurzame ontwikkeling is een concept waarin ecologische, economische en sociale belangen bij elkaar komen, voor zowel de huidige als de toekomstige generaties. Duurzame ontwikkeling is de eis om een evenwicht tussen deze drie basisconcepten te vinden. Dit brede begrip omvat alle ontwikkelingen - op technisch, economisch, ecologisch en sociaal vlak - die bijdragen aan een wereld die efficiënter, zuiniger
en op de lange termijn meer continu omgaat met de aarde.
Duurzame ontwikkeling
Duurzame ontwikkeling is als volgt gedefinieerd:
Ontwikkeling waarbij de huidige wereldbevolking in haar behoeften voorziet zonder de komende generaties te beperken om in hún behoeften te voorzien. Ze wordt vaak voorgesteld door de drie P’s (triple P): people (mensen), planet (planeet) en profit/prosperity (winst/welvaart); deze P’s staan voor respectievelijk de sociale, de ecologische en de economische dimensies van het begrip.
Bij duurzame ontwikkeling moet men ernaar streven om deze drie P’s harmonieus met elkaar te laten werken. Met andere woorden: de milieubelasting en het grondstof- en energiegebruik door de
levenscyclus en in de keten moeten worden gereduceerd tot een niveau dat ten minste in balans is met de draagkracht van de aarde.
Cradle to cradle
De huidige methoden voor duurzame productontwikkeling (en om producten te vergelijken) − zoals o.a. een levenscyclusanalyse (LCA) − richten zich op het beperken van de schadelijkheid van het product.
Het product wordt hier gezien als de keten van:
Ontstaan : winning van grondstoffen, productie
Gebruik : energieverbruik en verbruik van hulpstoffen
Afdanking : hergebruik en stort
Het “minder slecht maken” van het product bestaat uit het kiezen van schonere grondstoffen, het zuiniger maken van het product in gebruik, en het optimaliseren voor recycling. Dit kan − ondanks wat de
term recycling doet vermoeden − gezien worden als ontwerpen van wieg tot graf.
De centrale gedachte van de cradle-to-cradle-filosofie (wieg tot wieg) is dat alle gebruikte materialen na hun leven in het ene product, nuttig kunnen worden ingezet in een ander product. Het verschil met conventioneel hergebruik is dat er geen kwaliteitsverlies is, en dat er geen restproducten zijn die alsnog gestort worden.
Het streven van de cradle-to-cradle (C2C)-visie gaat verder dan duurzame ontwikkeling. Het gaat erom te voorzien in onze eigen noden en tegelijkertijd de toekomstige generaties te voorzien van meer
mogelijkheden. Oftewel: probeer goed te zijn, in plaats van minder slecht.
Duurzaamheid wordt dus steeds belangrijker. Het belangrijkste is dat we bij de beoordeling van ‘goed/slecht voor de mens en de wereld’ niet alleen moeten kijken naar milieubelasting, maar óók naar grondstofverbruik en energieverbruik en dit allemaal gedurende de héle levenscyclus.
Duurzaamheid in de bouw
Duurzaamheid is ook (juist!) een prioriteit in de bouw. Er wordt terecht zeer veel over geschreven en het is al lang niet meer iets modieus. Het is iedereen ernst. Zie wat de overheid er bijvoorbeeld over zegt:
Beleidsvoornemen: Schoner én duurzamer
“Het zittende kabinet creëert omstandigheden waardoor we met zijn allen een mooier en schoner Nederland kunnen maken”. Dat is volgens de minister van Volkshuisvesting Ruimtelijke Ordening en Milieu, Jacqueline Cramer, de strekking van het beleid waaraan ze samen met andere ministeries werkt.
“Duurzaamheid is over 20 jaar een vanzelfsprekendheid. De huizen die we dan bouwen zijn klimaatneutraal. Daar hebben we goede afspraken over gemaakt met de marktpartijen en we verwachten die ook te kunnen maken met de Aannemersfederatie.”
Minister Cramer heeft aangekondigd de normen stapsgewijs te willen aanscherpen om duurzaamheid in de gebouwde omgeving te bewerkstelligen: “dan gaat het over de eisen die de bouwregelgeving stelt aan de energieprestatie van gebouwen, de EPC”.
In het werkprogramma Schoon & Zuinig heeft het kabinet al aangekondigd deze energieprestatieeisen trapsgewijs aan te scherpen, om uiteindelijk te bereiken dat in 2020 de nieuwbouw volledig energieneutraal is. Het doel is om de nieuwbouw in 2011 25% energiezuiniger te maken en in 2015 zelfs 50% energiezuiniger dan nu.
De overheid ziet voor zichzelf een rol weggelegd als koploper in duurzame bedrijfsvoering. Verder wil het Rijk een actieve rol spelen in de maatschappelijke dialoog over duurzame ontwikkeling. Binnen deze
kabinetsbrede aanpak worden zes thema’s onderscheiden. Een van die thema’s is duurzaam bouwen en verbouwen. “Het Kabinet ziet graag dat binnen deze segmenten wordt gewerkt aan realisatie van duurzaamheidsdoelen die voor de bouw relevant zijn”.
‘Duurzaamheidsgehalte’?
Door elkaar noemt minister Cramer verschillende begrippen die gerelateerd zijn aan duurzaamheid.
Ze heeft het onder meer over: duurzaamheid, energieneutraal, energiezuiniger, klimaatneutraal, milieuprestatie, milieueffecten, mooier, schoner, zuinig.
Terminologie en definiëring zijn heel erg belangrijk, juist als er gaat worden gemeten en vergeleken. Als je wilt bepalen hoe ‘duurzaam’ bouwmaterialen en gebouwen nou eenmaal zijn, dan zul je een maat
moeten hebben, een eenheid. Als ‘maat’ noemt de minister het ‘duurzaamheidsgehalte’. Maar hoe meet je het duurzaamheidsgehalte?
Meten ‘duurzaamheidsgehalte’
De overheid (minister Cramer) zegt: “Vooralsnog is het gebruik van instrumenten voor de bepalingvan de milieuprestatie vrijwillig. Als de bouwsector dat op een goede manier oppakt, kan regelgeving mogelijkerwijs achterwege blijven.”
Het belang van duidelijke, uniforme meetmethoden
- Er een wildgroei aan meetmethoden ontstaat en dat het vertrouwen en de ‘autoriteit’ ervan daalt
- Er verschillende onderzoeksdata worden gebruikt
- Onderzoeksdata op verschillende manieren wordt geïnterpreteerd
- De laatste wetenschappelijke inzichten, zoals biobeschikbaarheid niet worden meegenomen.
- Er eenzijdig naar thema’s (water) wordt gekeken
- Partijen misschien ‘het zekere voor het onzekere nemen’
- Alternatieven niet (goed) worden bekeken
Het is dus van groot belang dat er duidelijke meetmethoden komen
Inmiddels zijn de ontwikkelingen (gelukkig) in een stroomversnelling geraakt. Momenteel bekijkt het ministerie van VROM de mogelijkheid om eisen te stellen aan de milieukwaliteit van bouwwerken. Het hoofdstuk daarvoor is al opgenomen in het Bouwbesluit, alleen nog niet ingevuld. Daarnaast gaat de overheid “duurzaam inkopen” en worden nu de criteria daarvoor bepaald.
“Voor het duurzaamheidsgehalte van gebouwen worden diverse meetmethoden geharmoniseerd tot een standaard waarmee partijen hun ambitie kunnen formuleren en prestaties onderling kunnen vergelijken.
Hierbij zal ook het concept ‘cradle to cradle’ worden meegenomen. Dus bouwmaterialen gebruiken waarvan je na de sloop voor 100% weer nieuwe materialen kunt maken; een sluitende kringloop.”
Rekenmodellen
Duurzaamheid in de bouw is een hot item. Iedereen is er serieus mee bezig. Inmiddels zijn ook diverse initiatieven genomen om instrumenten (rekenmodellen/meetmethoden) te ontwikkelen waarmee de duurzaamheid van een gebouw te meten is. Een aantal voorbeelden:
- EcoQuantum
- GPR (Tilburg)
- GreenCalc
- (BAM) Toolkit
Op dit moment wordt er eenheid gebracht in de verschillende rekenmodellen. Dat geharmoniseerde instrument (gebouwmodel) kan een nuttig hulpmiddel zijn voor regelgeving en inkopers van gebouwen en infrastructuur.
Database bouwmaterialen
Wil je eenheid brengen in de diverse rekenmodellen voor milieuprestaties van gebouwen, dan moet hierin wél de meest actuele en correcte informatie over bouwmaterialen en -producten worden gebruikt.
De Dutch Green Building Council (DGBC) wordt naar eigen zeggen trekker van het project om bestaande
Kennisdossier naslagmaterialendatabases te harmoniseren; hierbij gesteund door VROM, NVTB en de Stichting Milieu Relevante Product Informatie (MRPI). Betrokken zijn ook de eigenaren van rekeninstrumenten voor de
milieueffecten van bouwwerken (W/E, NIBE, IVAM). Rijkswaterstaat heeft een actieve rol vanwege het toekomstig Duurzaam Inkopen van de Rijksoverheid.
Het specifieke doel is een geharmoniseerde nationale materialendatabase met gegevens waar ook de bouwtoelevering vertrouwen in heeft. Uiteraard kan dat alles alleen met volledige steun van de bouwpartners en overheid. De gemeenschappelijke database zal in Nederland worden benut bij het bepalen van de milieuprestatie van gebouwen.
Stichting MRPI heeft aangegeven samen met de belanghebbenden alle kwalitatief hoogwaardige data (LCA-studies) te zullen bundelen en onder nadere voorwaarden ter beschikking te zullen stellen.
MRPI (Milieurelevante Productinformatie)
Milieurelevante Productinformatie (MRPI®) staat voor: “getoetste informatie over de milieuaspecten van een bouwmateriaal, bouwproduct of bouwelement die op initiatief van de producent of diens vertegenwoordiger (bijvoorbeeld de branchevereniging) via een milieugerichte levenscyclusanalyse is opgesteld”.
Met MRPI® communiceren producenten individueel of gezamenlijk over de milieuaspecten van hun bouwmaterialen, -producten of -elementen. Deze MRPI-afspraken hebben een breed draagvlak. MRPI® is gebaseerd op een levenscyclusanalyse (LCA), dé methode om milieueffecten van wieg tot graf te bepalen.
MRPI informatie is gebaseerd op een door de producent verstrekte milieuverklaring bevattende gekwantificeerde LCA-productinformatie, gebaseerd op onafhankelijke verificatie (in casu door een LCAbureau)
en met systematische (kritisch gereviewde) data, gepresenteerd als een dataset voor specifieke milieuparameters.
MRPI en Europa
De Europese Commissie heeft een geïntegreerd productbeleid (integrated product policy) ontwikkeld. Dit is gericht op vermindering van het gebruik van hulpbronnen en van het milieueffect van afval.
Het voornemen leeft om binnen Europees kader het instrument milieuverklaringen voor producten (environmental product declarations; EPD’s) verder te ontwikkelen en harmoniseren.
De aanpak die met MRPI in Nederland is gekozen, sluit hier naadloos op aan.
LCA (Life Cycle Assessment)
Met een LCA kunnen we de milieubelasting in getallen uitdrukken. Denk hierbij aan het energieverbruik, het grondstofverbruik, de hoeveelheid afval die vrijkomt en de emissies naar lucht, water en bodem voor
elk van de processen waarmee het product gemaakt wordt: van grondstof tot eindproduct, inclusief gebruik, afdanking en eventueel hergebruik. Het resultaat van een LCA wordt een milieuprofiel genoemd.
LCA’s (en dus MRPI) leveren het beste kader voor de beoordeling van de potentiële milieueffecten van producten die nu verkrijgbaar zijn.
Schema: meten ‘duurzaamheidsgehalte’
Het bovenstaande is als volgt samen te vatten:

Rekeninstrumenten (moeten) gebruik maken van de gegevens uit de materialendatabase. Die informatie is gebaseerd op MRPI-gegevens; en die laatste worden gebaseerd op LCA-studies. Uiteindelijk is het de
bedoeling dat op basis van het geharmoniseerde rekeninstrument beleid wordt gemaakt (Bouwbesluit) of advies wordt gegeven (bijvoorbeeld in de vorm van convenanten). Verderop komen de gevolgen voor
regelgeving en beleid uitgebreider aan bod.
Nb. Voor bouwtoeleveranciers is het dus van groot belang dat in de rekeninstrumenten juiste en actuele MRPI-informatie over hun producten beschikbaar is. Zeker ook omdat het de bedoeling is dat de database wordt gebruikt bij Duurzaam Inkopen.
Dit betekent dat voor ieder bouwmateriaal/product (voor bouwlood, maar óók voor de ‘alternatieve producten’) een LCA moet worden opgesteld. Want alleen op die manier kunnen rekentools goed functioneren. En alleen op die manier kunnen de milieu/duurzaamheidsprestaties worden gemeten (en vergeleken).
Vergelijkende LCA studies bouwlood Om producten met elkaar te kunnen vergelijken, zijn dus vergelijkende LCA-studies nodig.
Dat is dan ook gebeurd in de TNO-studie “Milieuprestatie van bladlood en alternatieve waterkerende producten” (Environmental performance of lead sheet and alternative weather-proofing products).
Onderzoeksopdracht
Vergelijk de milieuprestatie van het gebruik van bladlood als waterkerende afdekking met die van een aantal concurrerende materialen die op de Nederlandse en Duitse markt worden toegepast.
Onderzochte toepassingen
Gekeken is naar verschillende toepassingen van bladlood en ‘alternatieve producten’:
- Waterkerende afdekkingen, gebruikt in spouwmuren
- Waterkerende afdekkingen, in dak-gevel aansluitingen
- Afvoer van hemelwater door kielgoten vanaf hellende daken
Levenscyclusanalyse
De verschillende productsystemen zijn in de TNO studie onderzocht van de wieg (winning van grondstoffen) tot het graf (ontmanteling/hergebruik). Gekeken is naar alle in- en outputs (milieubelasting,grondstofverbruik en energieverbruik), gedurende álle fases:
- Grondstofverbruik
- Distributie / transport van grondstof tot eindproduct
- Gebruik (en productie) van brandstoffen, elektriciteit en warmte tijdens fabricage eindproducten
- Verwerking/gebruik van afval/overschot tijdens applicatie
- Gebruik en onderhoud product gedurende levensduur
- Terugwinning van gebruikte producten (inclusief hergebruik, recycling en terugwinning van energie) na levensduur Hierbij is gebruik gemaakt van de zogenaamde CML2 methode.
CML2 methode
Binnen de CML2-methode wordt gekeken naar verschillende (potentiële) milieueffecten:
- abiotic resource depletion potential
- global warming potential
- ozon depletion potential
- human toxicity potential
- fresh water aquatic Eco-toxicity Potential
- marine aquatic Eco-toxicity Potential
- terrestrial Eco-toxicity Potential
- photochemical Ozone creation potential
- acidification Potential
- eutrophication Potential
Kortom, alle mogelijke effecten die het gebruik van de onderzochte systemen -nu of in de toekomst- kan hebben op de aarde en op alles dat op de aarde leeft, worden in kaart gebracht en gekwantificeerd.
‘Milieuprestaties’ vergelijken
De moeilijkheid bij vergelijkende LCA’s is om alternatieven ook daadwerkelijk met elkaar te vergelijken.
Als alternatief A lagere waardes heeft op alle tien de categorieën dan alternatief B is de vergelijking eenvoudig: A is de beste optie. Maar meestal blijkt dat A beter ‘scoort’ op gevolg X, maar weer meer
problemen oplevert voor Z.
Vaak leveren productvergelijkingen met behulp van LCA’s dan ook geen eenduidige voorkeur voor een product op. Het eindoordeel hangt af van het belang dat je aan de afzonderlijke milieueffecten geeft.
Keuzes voor een product zijn daarmee arbitrair en voer voor discussie.
Dit ‘probleem’ kan worden opgelost door de categorieën te wegen.
‘Schaduwkosten’
Inmiddels is steeds meer bekend over de verschillende vormen van milieubelasting en de mogelijkheden om deze ongedaan te maken, of te voorkomen. Door deze kennis zijn we tegenwoordig in staat milieubelasting uit te drukken in geld. Van dit monetariseren wordt in de nieuwe beoordelingsmethodiek gebruik gemaakt. Het grote voordeel van milieubelasting uitdrukken in verborgen milieukosten is dat hiermee de verschillende categorieën eenvoudig bij elkaar opgeteld kunnen worden (en dus kunnen worden vergeleken).
De waarde (verborgen milieukosten) wordt verkregen door de impact per categorie te vermenigvuldigen met de kosten die gemaakt moeten worden ter voorkoming of vermindering van die impact.
De milieuprestaties van waterkerende producten voor spouwmuren (Cavity wall) , dak-gevelaansluitingen (Wall/roof) en kielgoten (Valley gutter) zijn in de tabel op de rechterpagina uitgedrukt in schaduwkosten (gevolgen voor het milieu). De waarden boven de staven geven de netto schaduwkosten weer; de waarden in de staven beneden de x-as geven aan hoeveel energie- en materiaalterugwinning oplevert. Hoe hoger de schaduwkosten, hoe hoger de milieubelasting.

Resultaten: welke bouwproduct is het duurzaamst?
Waterkerende afdekkingen, gebruikt in spouwmuren
1 Bladlood
2 PVC
3 Aluminiumversterkt EPDM
4 Aluminiumversterkt SEBS
Waterkerende afdekkingen, in dak-gevel aansluitingen
1 Bladlood
2 Aluminiumversterkt PiB
3 Aluminiumversterkt SEBS
Afvoer van hemelwater door kielgoten vanaf hellende daken
1 Bladlood
2 Glasvezelversterkt polyester
Conclusie
Op basis van de resultaten van de levenscyclusanalyses van bladlood en van andere waterkerende bedekkingen kan geconcludeerd worden:
Bladlood heeft de beste milieuprestatie van alle waterkerende producten, die met elkaar zijn vergeleken.
Recycling en duurzaamheid
Duurzame productontwikkeling en het meten en vergelijken ervan richt zich op het beperken van de schadelijkheid van het product. Het product wordt hier gezien als de keten van ontstaan (winning van grondstoffen, productie), gebruik (energieverbruik en verbruik van hulpstoffen) en afdanking (hergebruik en stort).
Het “minder slecht maken” van het product bestaat derhalve uit het kiezen van schonere grondstoffen, het zuiniger maken van het product in gebruik, en het optimaliseren voor recycling.
In tegenstelling tot de ‘alternatieven’ is lood 100% recyclebaar.
Bladlood overleeft gemakkelijk het gebouw waarin het is toegepast. Bij de ontmanteling van een gebouw, wordt al het lood verzameld, gesmolten en opnieuw verwerkt tot bladlood. Het bladlood
kan oneindig worden hergebruikt, er is geen kwaliteitsverlies. Bij de productie (recycling) van bladlood wordt relatief weinig energie gebruikt. En omdat lood niet hoeft te worden afgedankt of vernietigd komen er geen schadelijke stoffen vrij ‘na de levensduur’. Er zijn ook geen restproducten die alsnog gestort worden.
De recylclebaarheid van bladlood heeft - zoals het onderzoek laat zien - een zeer belangrijke invloed op de schaduwkosten en dus op het ‘duurzaamheidsgehalte’. Het wordt dan ook onderkend door de
beleidsmakers:
“Bij het bepalen van het duurzaamheidsgehalte van gebouwen zal ook het concept ‘cradle to cradle’ worden meegenomen. Dus bouwmaterialen gebruiken waarvan je na de sloop voor 100% weer
nieuwe materialen kunt maken; een sluitende kringloop.”
